
Geeft geen nectar, maar grote boomluizen leveren er honingdauw voor donkere, mineraalrijke zilversparhoning.
De zilverspar wordt door de wind bestoven en geeft geen nectar. Zijn waarde komt van de honingdauw van grote schorsluizen (vooral Cinara-soorten) die op takken en stam zuigen. In Turkije zijn de belangrijkste soorten de ondersoorten van Abies nordmanniana (waaronder de Uludağ- en de Kazdağı-spar) en de Taurusspar, Abies cilicica.
De bloei valt in april-mei; de eigenlijke dracht loopt van eind juni tot augustus en begint zodra de luizenpopulatie groeit. Warme dagen met koele, vochtige nachten verhogen de honingdauwproductie; lange droogte of hevige regenbuien maken een einde aan de dracht. De opbrengst wisselt sterk van jaar tot jaar.
Zilversparhoning is donker amber met een groenige glans, minder zoet dan bloemenhoning, met een harsachtige, moutige smaak. Hij bevat veel mineralen en oligosachariden en blijft meestal lang vloeibaar.
Volg de luizendichtheid door takken uit te kloppen of naar glanzende druppeltjes op de naalden te zoeken. Honingdauwhoning die als wintervoer in de kast blijft, kan in lange winters buikloop veroorzaken; het is veiliger om voor de winter bloemenhoning of suikerstroop te laten.