
Zeer koude- en droogtebestendige geelbloeiende struik voor windsingels in Siberië en Rusland; een goede nectarbron in het late voorjaar.
De erwtenstruik komt uit de steppen van Siberië, Mongolië en Kazachstan en verdraagt kou tot -40 °C en droogte. In Rusland en Noord-Amerika wordt hij veel gebruikt in windsingels langs akkers en in hagen. De gele vlinderbloemen geven overvloedig nectar; Russische imkersbronnen rekenen hem tot de belangrijke voorjaarsdrachtplanten. Ook stuifmeel wordt verzameld.
Hij bloeit in mei, samen met het uitlopen van het blad, ongeveer 2-3 weken. In koude klimaten komt hij na de fruitbomen en vóór de robinia.
Als aparte monoflorale honing is hij niet gangbaar; hij geeft een lichte bijdrage aan gemengde vroege zomerhoning.
Op de droge hoogvlakten van Oost-Anatolië en het binnenland, met hun strenge winters, is hij een van de weinige soorten die als windscherm rond de bijenstand kunnen worden geplant. De zaden lijken op tuinbonen, maar mogen niet rauw worden gegeten.