
De kastanje van Japan en Korea; de geurende katjes in juni geven veel nectar en stuifmeel en leveren de donkere, bittere Koreaanse kastanjehoning.
De Japanse kastanje is de inheemse kastanje van Japan en Korea en wordt in beide landen in grote boomgaarden voor de vruchten geteeld. Net als de tamme kastanje bloeit hij met lange, geurende, crèmekleurige aren en is hij zeer rijk aan zowel nectar als stuifmeel. In Korea is kastanjehoning na acaciahoning een van de meest geproduceerde eenbloemige honingsoorten.
Hij bloeit van begin tot half juni, ongeveer twee à drie weken. Bij warm, vochtig weer stijgt de nectarafscheiding; in koele, natte junimaanden verzwakt de dracht.
De honing is donker amber tot bruin, scherp, bitterachtig en tanninerijk van smaak; door het hoge fructosegehalte kristalliseert hij langzaam. Het stuifmeel is lichtgeel en wordt in grote hoeveelheden verzameld. Plaatselijk mengt ook honingdauw van bladluizen zich door de honing.
Omdat hij beter bestand is tegen kastanjekanker dan de tamme kastanje, wordt hij gebruikt bij het veredelen van kruisingen; ook in Turkije zijn hybride jonge bomen verkrijgbaar. Deze boomgaarden dragen bij aan de dracht in juni, zoals in de kastanjegebieden aan de Zwarte Zee.