
Knolgewas dat eind winter laag bij de grond glanzend gele bloemen opent; voedt de eerste vliegende bijen op zonnige, zachte dagen.
Winterakoniet is een kleine plant van loofbossen en struwelen in Zuid-Europa en Anatolië, die in Europa in parken, op begraafplaatsen en in oude tuinen is verwilderd tot brede tapijten. In het gele kommetje te midden van de groene kraag van schutbladen zitten kleine honingklieren en talrijke meeldraden. Als het warmer wordt, bezoeken bijen de plant druk voor nectar en stuifmeel.
Bloeit in februari en maart, vaak samen met sneeuwklokjes. De bloemen gaan open in de zon en boven ongeveer 10 °C en sluiten bij koud, bewolkt weer.
Draagt niet bij aan de honingoogst; de waarde zit in het verse stuifmeel in de weken waarin het broed op gang komt. De stuifmeelklompjes zijn geel.
De plant is giftig; schade aan bijen door nectar of stuifmeel is niet gemeld. Knollen die onder bomen worden geplant, verspreiden zich in de loop der jaren via zaad en vormen een blijvende vroege bron. De Cilicische vorm in Anatolië werd vroeger als aparte soort (Eranthis cilicica) beschouwd.