
Oliegewas uit Ethiopië en India dat in de herfstbloei druk door bijen wordt bezocht; afhankelijk van insectenbestuiving en een goede nectarbron.
Guizotia abyssinica (nigerzaad) is een eenjarig oliegewas dat in de Ethiopische hooglanden en in India om het zaad wordt geteeld; in Europa is het zaad ook bekend als vogelvoer. De bloemen zijn grotendeels zelfincompatibel: voor zaadzetting is kruisbestuiving en dus de bij nodig. In Ethiopië is het na het regenseizoen een belangrijke bron voor imkers; de nectar- en stuifmeelopbrengst is goed.
Het is een kortedagplant; bij zaai in het voorjaar op het gematigde noordelijk halfrond verschuift de bloei naar eind augustus tot oktober en eindigt met de eerste vorst.
In Ethiopië wordt honing gewonnen waarin niger overheerst; die is lichtgeel en kristalliseert snel. De stuifmeelklompjes zijn geel.
In Turkije en Europa kan het op proefschaal worden gezaaid, maar door de late bloei kan het in koude streken door vorst worden overvallen. Bij zaadteelt verhoogt het plaatsen van volken aan de akkerrand bij het begin van de bloei de opbrengst.