
In rubberplantages scheiden de extraflorale nectariën op de bladstelen veel nectar af tijdens de bladvernieuwing; belangrijkste honingbron in Kerala (India).
De rubberboom komt uit het Amazonebekken; tegenwoordig wordt hij op grote plantages gekweekt in Zuidoost-Azië, India en West-Afrika. Voor de imkerij zit de echte waarde niet zozeer in de bloemen als wel in de extraflorale nectariën aan het uiteinde van de bladstelen. Wanneer de bomen, die in de droge tijd hun blad verliezen, nieuwe scheuten maken, scheiden deze nectariën enkele weken lang overvloedig af.
In Zuid-India vallen bladvernieuwing en bloei meestal tussen januari en maart. De afscheiding neemt toe bij koele nachten en vochtige ochtenden; regen kan de nectar wegspoelen en de dracht inkorten.
Het grootste deel van de honing uit Kerala komt van deze bron. De honing is licht amber, mild zoet en kristalliseert snel. Omdat het vochtgehalte hoog kan blijven, gaat onrijp geoogste honing snel gisten. De bijdrage aan stuifmeel is gering.
Voor deze korte, hevige dracht moeten de volken vóór het seizoen versterkt worden, en honing mag niet geslingerd worden voordat hij verzegeld is. In Turkije en Europa groeit hij niet.