
Wilde sla met kleine gele hoofdjes die in de zomerdroogte bloeit; geeft 's ochtends stuifmeel en wat nectar in de dracht-arme zomer.
Kompassla groeit in bermen, op braakliggende akkers, bouwterreinen en ruige plekken; de plant heeft wit melksap en een stekelige middennerf op de bladeren. Ze is de wilde verwant van de gekweekte sla. Aan de vertakte bloeiwijze zitten veel kleine, lichtgele hoofdjes. Honingbijen bezoeken die vooral voor stuifmeel; de hoeveelheid nectar is klein.
Ze bloeit van juli tot september, in de zwaarste periode van de zomerdroogte. De hoofdjes gaan 's ochtends open en sluiten tegen de middag, dus het bezoek concentreert zich in de ochtenduren.
Ze levert geen eigen honing. Haar waarde is dat de stuifmeelaanvoer van het volk midden in de zomer doorgaat, als andere bronnen afnemen.
Omdat de naar de zon gekeerde bladeren in noord-zuidrichting staan, heet ze ook kompasplant. In droge streken overbrugt ze het zomergat niet in haar eentje, maar ze helpt de bijen 's ochtends aan het vliegen te houden. In Noord-Amerika heeft ze zich als onkruid verbreid.