
Zeer algemene kleine gele klaver van graslanden en bermen; geen eigen honingoogst, maar door de lange bloei een constante kleine bron.
Hopklaver is een van de bescheidenste, maar ook meest verbreide leden van de klaverfamilie. De bloemen zijn heel klein en staan met 10-50 bijeen in een bolvormig hoofdje; honingbijen halen de nectar gemakkelijk, maar per bloem is er weinig. Pas in graslanden en op braakland waar ze een grote bedekking vormt, wordt ze een bron van betekenis.
Ze bloeit met tussenpozen van eind april tot september. Omdat ze in gemaaide graslanden snel opnieuw bloeit, geeft ze de bijen in het zomerdrachtgat een kleine maar regelmatige voedselbron.
Er wordt geen honing onder haar eigen naam gewonnen; ze komt in kleine hoeveelheden terecht in gemengde grasland- en berghoning. Ook de stuifmeelbijdrage is matig; daarnaast is ze belangrijk voor wilde bijen.
Ze houdt van droge, kalkrijke en schrale grond en is een goedkope, sterke component van bloemrijke graslandmengsels. Aan de zwart wordende, gekrulde peulen dankt ze haar Engelse naam 'black medick' (zwarte klaver).