











Noord-Amerikaanse plant met gele bloemen die 's avonds opengaan; de nectar zit diep, voor honingbijen vooral een ochtendbron van stuifmeel.
Middelste teunisbloem kwam eeuwen geleden uit Noord-Amerika naar Europa en heeft zich gevestigd in zandige bermen, op spoordijken en op braakliggende grond. De grote gele bloemen gaan laat in de middag open en worden door nachtvlinders bestoven; de nectar zit onderin een smalle buis van 2-4 cm, zodat honingbijen er vaak niet bij kunnen. Bijen verzamelen vroeg in de ochtend stuifmeel, voordat de bloemen sluiten; omdat het stuifmeel met kleverige draden aan elkaar zit, is het verzamelen moeizaam.
Bloeit in het tweede jaar van juni tot september; elke avond gaan er nieuwe bloemen open, zodat de plant lang in bloei staat.
De bijdrage aan de honingoogst is klein. Er zijn geen betrouwbare gegevens over de stuifmeelkleur gevonden.
Op veel plaatsen in Europa ingeburgerd en verspreidt zich vanzelf via zaad; geen soort met voorrang voor de bijenweide.