
Lage, matvormende geelbloeiende plant van droge zandige graslanden; geeft bijen weinig nectar en stuifmeel, slechts lokaal van belang.
Muizenoor is een vaste plant die met bovengrondse uitlopers dichte matten vormt op droge, voedselarme zandgrond, stenige weiden en wegtaluds. De lichtgele hoofdjes staan afzonderlijk op dunne stelen; bijen verzamelen vooral stuifmeel en een beetje nectar. In droge zomers kan de plant een kleine steun zijn op plekken waar andere planten zijn verdord.
Duurt van mei tot augustus, plaatselijk tot september; de hoofdjes gaan open bij zonnig weer en blijven dicht bij bewolking.
Er is geen monoflorale honing. De stuifmeelklompjes zijn geel.
Voor de honingopbrengst is de plant zonder betekenis. De soort werd vroeger in het geslacht Hieracium ingedeeld; de huidige naam is Pilosella officinarum. In delen van Nieuw-Zeeland en Noord-Amerika is het een uitheemse soort die weiden overwoekert; in Europa en Turkije is ze inheems.