
Laag kruipende braam van oevers en vochtige akkerranden; bloeit van mei tot augustus en levert de hele zomer goede nectar en grijzig stuifmeel.
De dauwbraam is een braam waarvan de dunne, blauw berijpte stengels zich kruipend over de grond of tussen laag struikgewas uitbreiden. Beek- en rivieroevers, vochtige graslanden en de randen van akkers en wijngaarden zijn typische groeiplaatsen. De witte bloemen zijn net als bij andere bramen open van bouw; de nectar is gemakkelijk bereikbaar en de honingbij bezoekt ze druk.
Hij bloeit in golven van eind mei tot augustus. Omdat hij op vochtige grond groeit, houdt hij de afscheiding ook bij zomerdroogte langer vol; de nectarafscheiding is het best op warme, licht vochtige dagen.
Er is geen aparte commerciële honing, maar hij levert een belangrijke bijdrage aan gemengde zomerhoning. De stuifmeelklompjes hebben de grijswitte tint die typisch is voor bramen.
Bij bijenstanden in laagland en langs beken verzacht hij de zomerse drachtloosheid na de oogst. Op landbouwgrond wordt hij vaak als onkruid verwijderd; hem laten staan langs akkerranden en slootkanten is goed voor de bijen. De vrucht is blauw berijpt en eetbaar.