











Sierplant uit Anatolië en de Kaukasus met zilverwollig blad; de paarse bloemen in de vroege zomer worden druk bezocht door honing- en wilde bijen.
Een soort van de droge, stenige hellingen van Anatolië, de Kaukasus en Iran, die nu in tuinen over de hele wereld als sierplant wordt gekweekt. De lange bloeiaren blijven wekenlang open en worden regelmatig door honingbijen bezocht. De nectarwaarde is goed en de stuifmeelbijdrage matig.
Kleine roze-paarse bloemen bloeien van juni tot augustus op witte, viltige aren. Hij verdraagt droogte en hitte en heeft weinig water nodig; bij te veel vocht kunnen de bladeren rotten.
De aanplant is klein, dus voor de honingproductie heeft hij geen aparte waarde. De grote wolbij Anthidium manicatum, die de bladharen gebruikt om haar nest te bouwen, komt vaak op deze plant af; de mannetjes van deze bij kunnen honingbijen wegjagen terwijl ze hun territorium verdedigen.
Hij kan als bodembedekker worden gebruikt in droge tuinen, rotstuinen en randen rond de bijenstand. Sommige siervariëteiten die niet bloeien, zijn waardeloos voor bijen; kies bloeiende vormen.