
Hoge roze tot blauwe smeerwortel uit Noordoost-Anatolië en de Kaukasus; nectarrijk maar met lange buis, honingbijen gebruiken vooral hommelgaatjes.
Ruwe smeerwortel is een stijfbehaarde, overblijvende plant van 1-1,8 meter die groeit langs vochtige bosranden, in graslanden en langs beken in Noordoost-Anatolië, de Kaukasus en Iran. De klokvormige bloemen in gekrulde trossen komen uit roze knoppen en kleuren daarna blauw. Ze is rijk aan nectar, maar omdat de kroonbuis lang is, kunnen alleen langtongige hommels er rechtstreeks bij. Via de gaatjes die kortongige hommels onderaan de bloem bijten, haalt ook de honingbij nectar; de opbrengst hangt daarom af van de hommelactiviteit in de omgeving.
Ze bloeit van mei tot juli; gemaaide planten kunnen in de nazomer opnieuw bloeien.
Ze levert geen eigen honing; de bijdrage aan stuifmeel is gering. Net als andere leden van haar familie bevat ze pyrrolizidine-alkaloïden.
Ze is als voedergewas naar Europa gebracht en heeft daar met gewone smeerwortel de wijdverbreide Russische smeerwortel gevormd. In vochtige bijentuinen is ze een langlevende bron die geen onderhoud vraagt.