Seizoen
Dit is de diepste, stilste en meest passieve periode van het imkerjaar. Het volk heeft zich volledig in zichzelf teruggetrokken; er is geen dracht, geen ontwikkeling, geen inkomen van buitenaf. Alles is gericht op één doel: overleven. Het is de enige werkelijk rustende periode in de hele kalender.
De temperaturen zijn op hun laagste punt van het jaar: overdag vaak onder het vriespunt, 's nachts streng. Sneeuw en ijs bedekken in veel streken de grond. Het daglicht is op zijn kortst. De bij kan niet vliegen; de buitenwereld is geen bron maar een dodelijke bedreiging — kou, wind, vocht.
De natuur rust volledig. Er is geen bloei, geen nectar, geen stuifmeel. Het volk verwacht niets van buitenaf; het leeft volledig van de voorraad die het in eerdere periodes heeft opgebouwd. Er is geen ontwikkeling om te sturen, geen dracht om te benutten — alleen het verstrijken van de tijd.
Het karakter van de periode laat zich in één zin vatten: het volk wordt niet beheerd, het wordt met rust gelaten. Dit is de periode van de minste ingreep van het hele jaar. De kast openen betekent de warmte verspreiden die de tros produceert, het volk afkoelen, het overlevingsevenwicht verstoren. Het beste wat de imker kan doen, is de kast niet aanraken.
Regionale verschillen bepalen de lengte en de strengheid van deze periode. In een streng continentaal klimaat is die lang en onafgebroken; in een gematigd of mediterraan klimaat kort en mild, en in de mildste streken gaat het volk misschien helemaal niet in volledige wintermodus. Maar waar die zich ook voordoet, geldt dezelfde waarheid: handen van de kast, ogen op de kast.