Seizoen
Dit is de overgangsperiode waarin de diepte van de winter voorbij is maar het voorjaar nog niet is aangebroken. Deze smalle band tussen het einde van de diepe overwintering en het eerste echte ontwaken is een van de meest bedrieglijke en kritieke periodes in de imkerkalender: buiten lijkt het nog winter, maar binnen in de kast is een grote verandering begonnen.
De temperaturen zijn nog laag maar zijn vanaf het laagste punt beginnen te keren: milde dagen die overdag af en toe 8-12°C bereiken, 's nachts nog vriezend. De dag wordt merkbaar langer — en die verlenging is het sterkste signaal dat het ontwaken van het volk in gang zet. Op de eerste milde dagen maakt de bij een reinigingsvlucht.
De natuur slaapt nog maar de eerste tekenen verschijnen: sommige vroege soorten (sneeuwklokje, hazelaar, wilg, amandel in sommige streken) beginnen te bloeien of stuifmeel te geven. Dit eerste stuifmeel is een kritiek signaal voor het ontwaken van het volk.
Het karakter van de periode laat zich in één zin vatten: het volk ontwaakt, maar de voorraad raakt op. De koningin begint weer te leggen, de broedproductie begint — en broedproductie verhoogt plotseling het voorraadverbruik. Het verbruik stijgt net wanneer de voorraad op zijn laagst is. Deze schaar is het grootste risico van de periode: voorjaarsverhongering. Veel volken overleven de winter maar sterven juist in deze periode van de honger, enkele weken voor het voorjaar.
Regionale verschillen bepalen de timing van deze periode. In een gematigde streek begint die vroeg; in een streng klimaat laat. Maar overal geldt hetzelfde gevaar: een ontwakend volk + slinkende voorraad = risico op voorjaarsverhongering.


