
Wilde look met donkerrode bolvormige bloemhoofden die midden in de zomer op droge graslanden bloeit; rijk aan nectar voor bijen.
Kogellook vormt aan dunne stengels dichte, eivormige bloemhoofden, eerst groen en bij het opengaan wijnrood tot paars. Elk klein bloempje geeft nectar; omdat de hoofden lang open blijven, worden ze druk bezocht door honingbijen, hommels en vlinders. De stuifmeelbijdrage is matig.
Bloeit van juni tot augustus, in de warme periode waarin de meeste graslandbloemen zijn verdroogd. Houdt van kalkrijke, droge, zonnige hellingen, duinen en stenige grond.
Er wordt geen monoflorale honing van gewonnen; kogellook draagt bij aan honing van droge graslanden. Er zijn geen betrouwbare gegevens over de stuifmeelkleur gevonden.
Vermeerdert zich gemakkelijk via bolletjes en verdraagt droogte; daarmee is het een geschikte sierplant voor aanplant rond de bijenstand tegen het drachtgat in de zomer. Op beweide percelen kan kogellook de melk een uiengeur geven.