
Doornige struik van hete, droge, stenige plekken; de grote bloemen gaan 's avonds open en voeden bijen in de zomerdroogte met nectar en stuifmeel.
Kappertjesstruik groeit van de Middellandse Zeekust tot Zuidoost-Anatolië aan de voet van muren, op rotsen en langs akkerranden en is dankzij diepe wortels zeer droogtebestendig. De grote, witte tot rozige bloemen gaan laat in de middag open en verwelken de volgende dag tegen de middag. De lange paarse meeldraden geven veel stuifmeel; nectar verzamelt zich aan de voet van de bloem. Naast nachtvlinders en houtbijen komen ook honingbijen druk in de eerste ochtenduren.
Bloeit van mei tot september onafgebroken, zelfs in de heetste maanden; in streken waar zomerdroogte heerst is dat een zeldzame eigenschap.
Monoflorale honing is niet gebruikelijk; de struik draagt bij aan zomerhoning in warme streken. Er zijn geen betrouwbare gegevens over de stuifmeelkleur gevonden.
Als de knoppen als kappertjes worden geplukt, daalt het aantal bloemen. In droge gebieden is het nuttig de struik rond de bijenstand te sparen om het drachtgat in de zomer te verzachten.