
Stekelige tweejarige die van midzomer tot de herfst bloeit en op warme dagen goed nectar geeft voor de nazomerdracht.
De paarse hoofdjes van de speerdistel bestaan uit talrijke buisbloempjes; de buisjes zijn kort genoeg voor de tong van de honingbij, en op warme, vochtige grond wordt veel nectar afgescheiden. Ook hommels en vlinders komen er druk op af. Het stuifmeel is witachtig en wordt in matige hoeveelheden verzameld.
In het eerste jaar vormt de plant een bladrozet, in het tweede jaar bloeit ze van juni tot september. Elke plant opent wekenlang nieuwe hoofdjes, zodat ze op weiden, braakland en in wegbermen een langdurige bron vormt.
Een aparte honing van deze distel wordt zelden gewonnen; distelsoorten geven gemengde zomer- en herfsthoning een lichte kleur en een aangenaam aroma.
Omdat de plant op akkers en weiden als onkruid geldt, wordt ze meestal gemaaid of bespoten. Een paar groepen laten staan in hoeken rond de bijenstand waar geen vee komt, helpt in het drachtgat van de nazomer; om zaadverspreiding te voorkomen kunnen de hoofdjes aan het einde van de bloei worden afgeknipt.