
Afrikaanse plantagepalm, vooral bestoven door kleine snuitkevers; honingbijen halen veel stuifmeel uit mannelijke bloeiwijzen, weinig nectar.
Oliepalm is een palm uit West- en Centraal-Afrika die nu op zeer grote plantages in Zuidoost-Azië en tropisch Amerika wordt geteeld. De bestuiving gebeurt grotendeels door kleine snuitkevers (geslacht Elaeidobius) die op de naar anijs geurende mannelijke bloeiwijzen afkomen. De honingbij verzamelt veel stuifmeel van de mannelijke bloeiwijzen; de nectarbijdrage is zeer beperkt.
De boom vormt afzonderlijke mannelijke en vrouwelijke bloeiwijzen en bloeit het hele jaar; in plantages is daardoor altijd stuifmeel aanwezig.
Er wordt geen aparte honing van gewonnen. Bij imkerij in plantages, waar de nectar van andere planten komt, draagt het stuifmeel bij aan de eiwitbehoefte van het volk.
Grote monocultuurplantages zijn arm aan nectar voor bijen; het behoud van bloeiende planten in randstroken en langs wegen verbetert de voeding van de volken. Bespuitingen in plantages vormen een risico voor bijen. In Turkije en Europa groeit hij niet; deze vermelding dient ter informatie.