
Geslacht met opvallende bloemen die vooral bij hommels en grote bijen passen; geringe waarde voor honingbijen.
De bloem van een lis werkt als drie afzonderlijke bestuivingstunnels: de bij landt op een buitenste bloemdekblad, kruipt onder de stijltak erboven naar binnen en bereikt zo de nectar aan de voet. Die bouw past bij grote hommels en solitaire bijen; de honingbij kruipt minder vaak in de bloem en kan maar een deel van de nectar bereiken. Stuifmeel wordt in kleine hoeveelheden verzameld.
Levert geen noemenswaardige bijdrage aan honing.
De vroeg bloeiende bolsoorten bieden de bijen aan het begin van het voorjaar een beetje voedsel. De wortelstokken bevatten stoffen die schadelijk zijn voor grazend vee; voor honing is geen probleem bekend.