
Tweehuizige jeneverbes van bergen en heiden op het noordelijk halfrond; windbestoven zonder nectar, levert in het voorjaar alleen wat stuifmeel.
De jeneverbes komt voor van Europa, de bergen van Noord- en Oost-Anatolië, de Kaukasus en Siberië tot Noord-Amerika; in de bergen vormt hij liggende vormen, in lagere streken rechtopgaande struiken. Hij is tweehuizig en wordt door de wind bestoven; hij maakt geen nectar. Voor de imkerij is hij een onbelangrijke bron, maar op hoogvlakten en in de ondergroei van dennenbossen neemt hij veel ruimte in.
Afhankelijk van de hoogte strooien de mannelijke planten stuifmeel tussen april en mei, op hoge bergweiden tot begin juni. De honingbij verzamelt dit stuifmeel zelden en in kleine hoeveelheden.
Hij levert geen honing of honingdauw. De bessen rijpen in twee jaar en worden als specerij gebruikt.
Op hoogvlakten met jeneverbes hangt de opbrengst van de bijenstand af van tijm, hokjespeul (Astragalus), klaver en andere kruidachtige planten tussen de struiken. Liggende jeneverbesgroepen kunnen bij bijenstanden in het hooggebergte dienen als natuurlijke beschutting die de kasten tegen de wind beschermt.