
Hoge plant van dorpsranden en wegbermen; de kransen bloemen midden in de zomer maken haar in Oost-Europa een bekende goede drachtplant.
Groeit op voedselrijke grond rond dorpen, aan de voet van heggen, in ruïnes en langs wegen in Europa, Noord- en Oost-Anatolië, de Kaukasus en Centraal-Azië; op veel plaatsen komt hij ook verwilderd voor. Russische en Oekraïense bijenbronnen noemen hem een goede drachtplant. In de roze bloemen met korte buis bereiken honingbijen de nectar gemakkelijk; de stuifmeelbijdrage is matig.
Roze tot lichtpaarse bloemen staan in kransen boven elkaar langs de stengel en bloeien van juni tot augustus; de bloei schuift van onder naar boven op en duurt daardoor lang. Bij warm, vochtig weer is de afscheiding hoog, bij droogte neemt ze af.
Als eenbloemige honing heeft hij geen commerciële betekenis; hij komt terecht in gemengde midzomerhoning.
Een sterke vaste plant die op lege grond rond de bijenstand en langs tuinranden kan worden gezaaid; hij zaait zichzelf uit. De droge zaaddozen zijn stekelig, dus zaai hem niet dicht bij looppaden.