
Langbloeiende nectar- en stuifmeelbron rond dorpen en bermen van mei tot september; steunt bijen doorlopend in de zomerse drachtpauze.
Groot kaasjeskruid groeit spontaan rond dorpen en stallen, langs wegen en op stikstofrijke verstoorde grond en heeft roze-paarse bloemen met paarse aderen. De vijf nectarklieren onder in de bloem liggen open en honingbijen bereiken de nectar gemakkelijk. De stuifmeelkorrels zijn groot en stekelig en blijven daarom aan het bijenlijf kleven; bijen hebben soms moeite ze in hun korfjes te verzamelen, maar brengen toch regelmatig stuifmeel binnen.
Bloeit onafgebroken van mei tot september; op bevloeide of vochtige plekken loopt de bloei door tot in de herfst. Hoewel er per plant maar weinig bloemen tegelijk open zijn, ligt de echte waarde in het lang aanhoudende aanbod.
Er wordt geen eenbloemige honing van gewonnen; de nectar gaat op in gemengde zomerhoning.
Ongemaaid laten rond de bijenstand geeft bijen in de zomerse drachtpauze een constante kleine inkomst. De jonge bladeren worden in de streek als groente gegeten.