
Blauwpaarse salie van droge, kalkrijke graslanden; door de lange kroonbuis vooral geschikt voor hommels, honingbijen bereiken slechts een deel van de nectar.
Groeit in het grootste deel van Europa, in Noord- en Noordwest-Anatolië en in de Kaukasus op zonnige, kalkrijke, droge graslanden en langs wegbermen. De bloemen hebben het typische hefboommechanisme van salie en worden grotendeels door hommels bestoven. Honingbijen kunnen een deel van de nectar halen uit bloemen met een kortere kroonbuis of wanneer het nectarniveau stijgt; daarom ligt de waarde onder het middelmatige.
Bloeit van mei tot juli; na de eerste maaibeurt kan aan het einde van de zomer een tweede, zwakkere bloei volgen. Op warme, zonnige dagen neemt de nectarafscheiding toe.
Levert geen honing onder eigen naam; draagt een klein beetje bij aan graslandhoning. De stuifmeelbijdrage is laag.
Een waardevolle graslandplant voor wilde bijen en hommels, die in bijvriendelijke graslandmengsels voorkomt. Alleen voor honingbijen is inzaaien niet aan te raden; Salvia verticillata of Salvia nemorosa, met kortere kroonbuizen, zijn daarvoor geschikter.